Samenvatting van de Charcot meeting Sicilië november 2008

door Dr. R. Medaer.

 

Er waren 2 grote thema’s op het congres:

  1. Optimaliseren van de huidige therapie en het begrijpen van de therapie voor morgen.
  2. Man / vrouw verschillen bij MS.

Optimaliseren van INF-bèta therapie:

Vroeg beginnen in de loop van MS is van groot belang.  Verschillende grote studies in de Verenigde Staten en Europa hebben dit aangetoond.  Zowel progressie van invaliditeit als progressie van hersenatrofie wordt afgeremd.  Dit is goed aangetoond door CIS (Clinically Isolated Syndrome) d.w.z. gevallen met een “bijna MS” en voor MS met opflakkeringen en remissies (r.r. MS). Voor secundair progressieve MS is dit niet zo goed aangetoond tot nu toe.

De rol van neutraliserende antistoffen, d.w.z. antistoffen die het eigen afweersysteem van de patiënten maakt tegen interferon bèta.

  • 53 % van de patiënten maakt nooit antistoffen.
  • 33,7 % van de patiënten worden antistoffen terug negatief, d.w.z. de antistoffen verdwijnen weer binnen de 48 maanden.
  • De groep die langere tijd hoge antistoffen heeft ervaart minder klinisch effect.  Dit effect kan gemeten worden via MRI-scan.
  • Interferon bèta 1 b heeft iets meer antistoffen dan INF-1a.
  • Er wordt geadviseerd patiënten goed op te volgen: vooral klinisch en via MRI-scan, zo nodig en indien mogelijk via meting van de antistoffen.

Nieuwe “pillen” voor MS:
Talrijke nieuwe per orale middelen voor MS zitten in de “pipe-line”.  Men kijkt er naar uit wegens de ongemakken van de therapie, via injectie subcutaan (Copaxone, Betaferon, Rebif) intramusculair (Avonex) of intraveneus (Tysabri).

Als voorbeeld van “pil” die grote kans maakt om op de markt te komen bespreken wij, Fingolimod.
De fase II studie is met succes beëindigd en fase III waarbij ± 3000 patiënten betrokken zijn is bezig.
Na 6 maanden behandelen via een pil per dag, in een dubbelblinde omstandigheden kwam het volgende uit de bus.

  • Actieve laesies op MRI:  Placebo 43 % laesievrij.
                                            Fingolimod 62 % laesievrij.
  • Aantal opflakkeringen:    De Fingolimod had 50 % minder opflakkeringen dan de placebogroep.
  • Nieuwe Letsels (op MRI):  Was beduidend lager in de behandelende groep.
  • Gemiddeld aantal opflakkeringen per jaar:       Placebo: 0,69 per jaar,  Fingolimod: 0,21 per jaar.
  • De tijd om tot een volgende opflakkering te komen was beduidend hoger in de Fingolimod groep.
  • De extensiestudie (d.w.z. na de 6 maanden kregen de deelnemers allen het echte middel) toonde aan dat alle bovenvermelde effecten behouden bleven.

Verwikkelingen en complicaties:

  • Het aantal witte bloedcellen daalde in de behandelende groep met 30 %.
  • Het hartritme daalde.
  • De bloeddruk steeg met 4 à 6 mm.
  • Beduidende stijging van leverfuncties in 9 à 12 % van de behandelde personen.
  • 15 op 1000 personen doen ernstige infecties.
  • Een verhoogde kans op kanker wordt vermoed, maar is niet zeker tot nu toe.

Conclusie:        

  • Een nieuwe behandeling via één pil per dag komt eraan
  • De eerste resultaten zijn zeer bemoedigend.
  • Veiligheid kan nog een probleem vormen.
  • Fingolimod remt zowel demyelinisatie als celverlies af.
  • Fingolimod heeft een blijvende langdurige werking.
  • Mogelijk is er ook een gunstige invloed op primair progressieve MS.

 

Het geslacht en MS:
Twee onderzoekers in Canada (Dadwnic en Ebers) zetten meer dan 20 jaar terug een epidemiologische studie op.  Zij volgen niet minder dan 29.000 families op waarin een MS patiënt voorkomt.  Je zou het een levende MS databank kunnen noemen.

Een van de opvallendste bevindingen is dat MS toeneemt bij jonge vrouwen.  De eerste metingen in Frankrijk rond 1930 toonde aan dat mannen en vrouwen in gelijke mate MS kregen.  Na 1950 werd een groter aantal vrouwen gevonden met MS, in 1970 was de verhouding 1,4 tegen 1,0.  In 1990 was de verhouding 2,0 versus 1,0 en nu is de verhouding opgelopen tot 3,2 tegen 1,0.

De MS bij vrouwen begint vroeger in het leven (gemiddeld 24 jaar) en lijkt goedaardiger te verlopen.  Over de oorzaken hiervan kan tot nu toe alleen gespeculeerd worden.

Er wordt gezocht in de richting van:

  • Het rookgedrag bij vrouwen
  • De blootsteling aan zonlicht met hierbij de aanmaak van vitamine D.
  • Zijn er toxische omgevingsfactoren? Hierbij gaat ook aandacht naar factoren in de baarmoeder m.a.w. de tijd dat patiënt voor zijn geboorte doorbracht in de baarmoeder
  • Spelen werkomstandigheden een rol?